Multimediaal Verhaal

Het web is multimediaal en interactief. Hoe kun je die twee wezenskenmerken gebruiken om een beter verhaal te vertellen? Sinds de jaren 1990 experimenteren journalisten en ontwerpers met het maken van multimediale verhalen. Een wat ouder maar nog steeds leerzaam voorbeeld is The Whale Hunt gemaakt door Jonathan Harris.

Helemaal nieuw zijn multimediale verhalen dus niet, maar de afgelopen jaren zijn zogenaamde longreads of longforms enorm in opmars. Het begon met Snow Fall, de Pullizter Prize-winnende productie van The New York Times. Al snel volgde The Guardian met Fire Storm en inmiddels is er een lange lijst van geslaagde en minder geslaagde voorbeelden. In Nederland timmert vooral NRC aan de weg met onder meer producties over Berry van Aerle, de diefstal uit de Kunsthal en de besluitvorming rond Schaliegas.

Het multimediaal en interactief vertellen van een verhaal heeft een aantal voordelen. Sommige zaken laten zich beter uitleggen in tekst, andere met een foto’s, een video, een kaartje of een grafiek. Interactiviteit kan de lezer bij het verhaal betrekken. Mensen vinden het nu eenmaal leuk om zelf iets te kunnen doen, iedereen houdt van knopjes en schuifjes. Maar er is ook een keerzijde. Bij het toepassen van multimodaliteit en interactiviteit moet je rekening houden met twee paradoxen:

  1. Journalistiek gaat over verhalen vertellen. Verhalen zijn lineair, ze ontlenen hun kracht aan een weloverwogen narratieve structuur. Het web is door zijn interactieve karakter per definitie niet lineair.
  2. Interactiviteit en multimodaliteit vergroten de betrokkenheid van de lezer maar leiden tegelijkertijd af. Hoe interactiever en multimedialer een boodschap is, hoe hoger de cognitieve belasting en daarmee de kans dat de lezer of kijker afhaakt.

Bij het maken van multimediale en interactieve verhalen is het daarom zaak niet vanuit de techniek te denken, maar vanuit het verhaal: welke modaliteit (tekst, foto, video, animatie, grafiek) is het meest geschikt om een bepaald onderdeel daarvan te vertellen? Vervolgens moet de overgang van de ene modaliteit naar de andere zo soepel mogelijk verlopen om te voorkomen dat de lezer of kijker de draad van het verhaal kwijtraakt. Idealiter lopen de verschillende multimediale onderdelen naadloos in elkaar over. Daarvoor zijn verschillende manieren. Zo verschijnen in Snow Fall plaatjes en video’s pas in beeld als de lezer bij de betreffende passage is aangekomen. Ook interactiviteit kan helpen bij de integratie van tekst en beeld.

Tools

Een multimediaal verhaal is vaak een doorlopende verticale of horizontale scroll. Met onderstaande tools kun je zonder al te veel technische kennis zelf zo’n verhaal maken:

Ook voor het maken van interactieve elementen zijn er veel hulpmiddelen. Hieronder een selectie. In de meeste gevallen kun je het resultaat embedden in een van bovenstaande tools.

Handleiding datajournalistiek

Wat is datajournalistiek?

Datajournalistiek is een snel groeiende vorm van onderzoeksjournalistiek die zich onderscheidt door het gebruik van grote hoeveelheden kwantitatieve gegevens als bron. De populariteit van datajournalistiek kent een paar oorzaken:

  • De digitale maatschappij produceert een spectaculair groeiende hoeveelheid numerieke data.
  • Steeds meer overheden, bedrijven en andere organisaties maken data openbaar (open data).
  • Digitale media kunnen data op nieuwe, interactieve manieren visualiseren.
  • De technieken en gereedschappen om grote datasets te verwerken en te visualiseren zijn niet langer voorbehouden aan wetenschappers en techneuten.

Het doel van datajournalistiek is niet anders dan dat van andere journalistiek: het verzamelen, analyseren en op een aantrekkelijke wijze presenteren van nieuwswaardige feiten en inzichten.

Hoe ga je als datajournalist te werk?

Net als bij alle vormen van journalistiek zijn er twee mogelijk manieren waarop een verhaal tot stand kan komen:

  • De journalist stelt zichzelf een vraag en gaat op zoek naar informatie om die vraag te beantwoorden.
  • De verslaggever gaat op zoek naar interessante bronnen en stelt daar journalistieke vragen aan.

In beide gevallen doorloopt de datajournalist vervolgens de volgende stappen:

  1. Data zoeken
    • Zoeken naar bestaande datasets (online zoeken of opvragen bij een instantie)
    • Zelf data verzamelen (bijvoorbeeld met behulp van een scraper of een API)
    • Zelf data maken (bijvoorbeeld door een enquête te houden)
  2. Data opschonen en combineren
  3. Data (visueel) analyseren
    • Uitschieters: beste, meeste, hoogste, laagste
    • Patronen: cycli, geografische lijnen
    • Vergelijken: toen/nu, hier/daar, wij/zij
    • Verbanden: relaties, correlaties
  4. Data verklaren
    • Cijfers geven nooit antwoord op de vraag ‘waarom’?
    • Het vinden van verklaringen is klassiek journalistiek handwerk
  5. Resultaat presenteren
    • Verhaal vertellen
    • Data ontsluiten
    • Data (interactief) visualiseren

Waar vind je data?

Hieronder vind je een beknopt overzicht van websites waar je open data kunt vinden:

Internationaal

Nationaal

Nederland

Lokaal

Verzamelsites

Meer informatie over datajournalistiek

Handige tools

Schrijven voor het web

Hoe schrijf je teksten voor het web die ook echt worden gelezen? Naast de inhoud zijn er drie factoren van belang:

1. Opmaak
De afgelopen jaren is veel onderzoek gedaan. Usability goeroe Jacob Nielsen concludeerde in 1997 dat mensen online helemaal niet lezen maar scannen. Een goede webtekst moet daar volgens hem op inspelen, bijvoorbeeld door het gebruik van tussenkopjes, lijstjes en keywords.

Onderzoek met behulp van eyetrack-apparatuur nuanceert het beeld dat er online niet wordt gelezen. Het Poynter Institute ontdekte dat lezers online zelfs een groter gedeelte van een artikel lezen dan in de krant. Eerder onderzoek onderstreepte het belang van korte paragrafen en vette intro’s.

Tips voor de opmaak van webteksten:

  • Begin met een vetgedrukte intro
  • Houd je alinea’s kort
  • Scheid alinea’s met een witregels
  • Gebruik om de 2 of 3 alinea’s een vet tussenkopje
  • Presenteer opsommingen in een lijstje

2. Stijl
Als journalist wil je gelezen worden. Je probeert de lezer te verleiden door een pakkende kop en een vlotte stijl. Dat is op het web niet anders dan voor krant, tijdschrift of presentatietekst voor radio of televisie. Toch is het belang van een pakkende stijl op het web van groter belang dan op andere media.

Hulpmiddelen als foto’s, streamers en kadertjes werken op het web minder goed en ontbreken op de voorpagina of in een lijst met zoekresultaten. Bezoekers beslissen in een fractie van een seconde of een artikel interessant is. Zo niet, dan klikken ze net zo makkelijk weer weg.

Bovendien: een groot deel van die bezoekers komt niet netjes op je site binnen via de voorpagina, maar via zoekmachines of sociale media. Je kop moet spannend zijn voor de lezer en tegelijkertijd zakelijk: als hij de lading niet voldoende dekt, wordt hij niet door google gevonden. Sommige nieuwssites gebruiken daarom zelfs twee koppen, op de voorpagina een verleidelijke voor de lezer, boven het stuk zelf een saaie headline voor google.

Tips voor een pakkende stijl:

  • Maak een pakkende kop die de lading dekt
  • Schrijf kort, laat onnodige woorden weg
  • Gebruik zoveel mogelijk de actieve vorm
  • Begin je zin met de belangrijkste boodschap
  • Begin je alinea met de belangrijkste zin
  • Begin je artikel met de belangrijkste alinea
  • Verwijs niet naar ‘morgen’ of ‘gisteren’ maar naar absolute data
  • Vermijd dubbelingen in de tekst

3. Links
Hyperlinks zijn de essentie van het web. Een journalist kan linken naar meer nieuws, achtergrondinformatie, bronnen of discussie. Links vergroten zo de geloofwaardigheid en transparantie van de journalistiek. Maar, zo beschrijft Nicholas Carr, links kunnen de lezer ook afleiden.

Tips voor het gebruik van links:

  • Maak links duidelijk herkenbaar
  • Vermijd tekst die eruit ziet als link maar dat niet is
  • Plaats links in de lopende tekst
  • Beschrijf in de link de inhoud van de doelpagina
  • Maak de linkende tekst niet te lang
  • Vermijd meerdere links achter elkaar
  • Wees spaarzaam, gebruik alleen links die echt iets toevoegen
  • Link naar pagina’s waarvan de inhoud niet verandert
  • Check of je link ook werkt
  • Laat links openen in hetzelfde venster

Internetresearch

Hieronder vind je een lijst met tips en links die van pas komen bij het doen van onderzoek op het web. Nuttige informatie is ook te vinden in het boekje De Google Code van Henk van Ess, Internetresearch van Arjan Dasselaar en het gratis te downloaden Eerste Hulp Bij e-Onderzoek van Ewout Sanders.

Zoeken met Google

  • Zoek op meerdere woorden
  • Gebruik aanhalingstekens of plusjes
  • Voeg woorden toe of sluit ze uit (OR, +, –, ~, *)
  • Gebruik google.com in plaats van google.nl
  • Doorzoek een specifiek site (site:)
  • Bekijk de cache (cache:)
  • Zoek naar documenten (filetype:)
  • Combineer deze trucs!
  • Meer tips

Zoeken naar personen en bedrijven

Zoeken naar (vertrouwelijke) documenten

Zoeken naar publicaties

Zoeken naar deskundigen

Zoeken naar cijfers

Diversen

Genres

Hieronder vind je van de meest gangbare journalistiek genres op het web een korte beschrijving. Per genre is een checklist toegevoegd die je kunt gebruiken om je eigen producties te evalueren. Veel meer informatie is te vinden in het Basisboek journalistiek schrijven van Henk Asbreuk en Addie de Moor.

Nieuwsbericht

Dit is het kortste journalistieke genre, variërend van 1 tot 3 alinea’s. Doel is om de lezer feitelijk, duidelijk, nauwkeurig en bondig te informeren over een nieuwsfeit. Een nieuwsbericht behandelt slechts één onderwerp. De inhoud ervan beantwoordt de vragen: Wat is er gebeurd, wie deed het, waar, wanneer, waarom en hoe? (De 5W’s plus H).

Het nieuwsbericht kent een vaste opbouw. De kop bevat het nieuws, de lead (eerste alinea) sluit daarbij aan en de andere alinea’s bevatten steeds minder belangrijke informatie. Je moet de tekst kunnen ‘oprollen’. Op internet voorzie je je bericht van relevante links.

Checklist

  1. bevat de kop het nieuws?
  2. is de kop kernachtig?
  3. sluit de lead aan bij de kop?
  4. staat het nieuws in de lead?
  5. bevat de lead enkele W’s?
  6. is de inhoud duidelijk?
  7. is de inhoud feitelijk?
  8. wordt het nieuws uitgewerkt?
  9. blijft de tekst beperkt tot één onderwerp?
  10. zijn er alinea’s?
  11. is er een brug van lead naar eerstvolgende alinea?
  12. is het verband tussen alinea’s onder woorden gebracht?
  13. is de tekst van onder af in te korten? (oprolbaar)
  14. is het woordgebruik niet te moeilijk?
  15. zijn de zinnen niet te lang?
  16. is er variatie in zinsbouw, staat wat het accent moet krijgen, voorop?
  17. staan er witregels tussen de alinea’s?
  18. zijn er relevante links?

Achtergrondverhaal

Achtergrondverhalen gaan nader in op het hoe en waarom van het nieuws. Je laat verbanden zien, beschrijft hoe iets heeft kunnen gebeuren, laat een deskundige uitleggen hoe het werkt of laat deskundigen met elkaar in discussie gaan of plaatst een zaak in historisch perspectief. Cruciaal is dat het geen betoog van de journalist wordt maar dat je de bronnen het verhaal laat vertellen. Daarbij geldt: één bron is geen bron, hoor en wederhoor, check en dubbelcheck.

De vorm is anders dan bij een nieuwsbericht. In de intro maak je de lezers nieuwsgierig en zet je ze in de basisuitspraak op het spoor van het verhaal. Daarna rol je je verhaal uit. Dat kan op verschillende manieren: chronologisch, thematisch of causaal. Heldere, korte alinea’s die onderling duidelijk zijn verbonden zijn belangrijk. Denk niet: hoe ingewikkelder, hoe beter. Denk vanuit de lezer: de meeste van hen zullen minder ingevoerd zijn dan jij. Aan het eind zorg je ervoor dat een bron terugkeert naar de basisuitspraak. Een goede check is altijd: sluiten kop, basisuitspraak en slotalinea inhoudelijk bij elkaar aan, zonder elkaar letterlijk te herhalen?

Een bijzondere vorm van het achtergrondverhaal die je steeds vaker tegenkomt, is het lijstje: Vijf vragen over…, Zeven nieuwe maatregelen… Dat lijkt een makkelijke vorm van journalistiek, maar is dat zeker niet! Deze vorm is zeer geschikt om lezers, zeker op het web, snel en overzichtelijk van informatie te voorzien. Gebruik op het web bij langere stukken zoals het achtergrondverhaal en de reportage tussenkopjes.

Checklist

  1. wijst de kop op een achtergrondverhaal (korte indicatie van de strekking)
  2. is de kop ook prikkelend, nieuwsgierigmakend?
  3. komen kop, basisuitspraak en slot qua strekking overeen? (rondschrijven)
  4. zet de intro me op het spoor van een achtergrondverhaal? (basisuitspraak)
  5. is de intro met vaart geformuleerd?
  6. inhoud logisch? Nergens tegenstrijdig?
  7. is de informatie volledig? (hoor en wederhoor)
  8. is de tekst niet gekleurd door eigen visie?
  9. is voldoende duidelijk wie de bronnen zijn?
  10. past de grote lijn bij de basisuitspraak?
  11. zijn de alinea’s afgeronde stappen in het verhaal, met een topische zin die uitgewerkt wordt?
  12. is de samenhang binnen en tussen alinea’s goed onder woorden gebracht (verbindingswoorden)?
  13. is duidelijk wat citaat en parafrase is?
  14. zijn de zinnen niet te lang (tang, lange aanloop, te veel bijzinnen)?
  15. is de formulering niet onnodig indirect (lijdende vorm, naamwoordstijl)?
  16. is de formulering niet te wijdlopig (voorzetseluitdrukkingen, lege woorden)?
  17. staan er witregels tussen de alinea’s?
  18. zijn er relevante links?

Reportage

De reportage geeft de lezer een kijkje achter de schermen van nieuwswaardige gebeurtenissen. Kun je bij de andere genres nog enigszins vanachter je bureau werken, bij een reportage is dat niet meer mogelijk: je moet op pad, het is een ooggetuigeverslag. Een journalist die een reportage schrijft, spreekt ter plekke meerdere bronnen, observeert en koppelt die informatie aan achtergrondinformatie. Resultaat is een verhaal waarin de lezer dicht bij de situatie wordt getrokken. Een luchtiger variant van de reportage is het sfeerverhaal.

Belangrijk bij reportage en sfeerverhaal is dat je goed kunt beschrijven. Daarbij kun je alle zintuigen gebruiken. Neem goed waar, bepaal de dominante indruk en kies daar feiten, details, citaten en situaties bij. Kies daarvoor specifieke woorden, geen concluderende. Niet vertellen maar laten zien. In een reportage zoek je naar een goede afwisseling van achtergrondinformatie en beschrijvingen. De kop bevat sfeer. Om de lezer het gevoel te geven dat hij dit zelf meemaakt, schrijf je in de tegenwoordige tijd. Gebruik tussenkopjes om de lezers je verhaal in te trekken.

Checklist

  1. geeft de kop al een indruk van de sfeer?
  2. past de foto bij die gewekte indruk?
  3. zet het intro me ook op het spoor (basisuitspraak)?
  4. zijn de tussenkopjes goed gekozen?
  5. zijn de sfeerelementen duidelijk?
  6. zijn de beschrijvingen functioneel, passen ze bij de ‘dominante indruk’ van het verhaal?
  7. zijn de bronnen goed gekozen?
  8. past de grote lijn bij de basisuitspraak?
  9. zijn de beschrijvingen over de tekst verspreid?
  10. is er voldoende samenhang tussen alinea’s?
  11. is er voldoende samenhang tussen zinnen?
  12. staat aan het eind de dominante indruk nog overeind?
  13. beeldende woordkeus?
  14. zo concreet mogelijke woordkeus?
  15. niet te veel mooischrijverij?
  16. staan er witregels tussen de alinea’s?
  17. zijn er relevante links?

Interview

Als je je verhaal baseert op één bron, maak je een interview. Je hebt interviews in soorten en maten. Zo wordt er onderscheid gemaakt naar inhoud (het nieuwsinterview, het achtergrondinterview, het profiel en het portret) en naar vorm (vraag-antwoord, full quote en gemengd). De vraag-antwoord-vorm is het meest geschikt als je iemand kort wilt interviewen en daarbij scherp uit de hoek wilt komen. Voor een confronterend interview kies je dus deze vorm.

Full quote (van begin tot eind tussen aanhalingstekens) is een geschikte vorm als je iemand een verhaal wil laten vertellen. Het is lastiger dan het eruit ziet, want mensen praten niet in mooie verhalen, je moet er vaak veel aan verbouwen en ook je vragen nog eens wegwerken. Deze vorm is daarom vooral handig als mensen uit zichzelf al een aardig verhaal vertellen.

De klassieke mengvorm bestaat uit parafrase en citaat. Dat is de gemakkelijkste manier omdat je wat de geïnterviewde niet zegt, of wat je vergeet toe te voegen, zelf kunt formuleren. Je kunt iets moeilijks uitleggen en zelf verbanden leggen. Bij moeilijke materie en moeizame sprekers is deze vorm uiterst geschikt. Je legt dan overigens ook meer het accent op de zaak dan op de persoon.

Tenslotte: het is normaal dat je aan citaten en aan vragen schaaft. Belangrijk is natuurlijk dat de strekking en de sfeer waarin het gezegd is, overeind blijven. Ook moet de woordkeus bij de geïnterviewde blijven passen maar verder moet er vaak fors ingegrepen worden in citaten.

Checklist

  1. wijst de kop op een interview (is het een citaat?)
  2. zet de intro me op het spoor van een interview?
  3. zijn de tussenkopjes goed gekozen?
  4. vorm goed gekozen? (vraag-antwoord, fullquote, mix)
  5. is de tekst overal duidelijk?
  6. is er concreet genoeg doorgevraagd?
  7. zijn de beschrijvingen functioneel?
  8. past de grote lijn bij de basisuitspraak?
  9. is er voldoende samenhang tussen alinea’s?
  10. is er voldoende samenhang tussen zinnen?
  11. is er een uitsmijter in de vorm van een typerend of verrassend citaat?
  12. eenvoudige, passende woordkeus?
  13. een zo concreet mogelijke woordkeus?
  14. duidelijke zinsconstructies (geen onnodige lijdende vormen)
  15. bondige formulering, schaaf aan citaten en vragen.
  16. staan er witregels tussen de alinea’s?
  17. zijn er relevante links?

Video

Bewegend beeld heeft de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen op het web. Journalistieke video’s kun je onderverdelen in:

  • nieuwsbericht (maximaal 1,5 minuut, voice-over bij algemene beelden, heeft dezelfde functie als een geschreven nieuwsbericht)
  • reportage (maximaal 3,5 minuut, heeft dezelfde functie als een geschreven reportage)
  • portret (maximaal 3 minuten, portretteert een journalistiek interessant iemand door reportage-elementen te mengen met een interview)
  • voxpop (maximaal 2,5 minuut, korte interviewtjes waarin gewone mensen om hun mening wordt gevraagd, eventueel afgewisseld met quotes van een autoriteit)
  • videoclip (maximaal 1,5 minuut, losse beelden of quotes die een aanvulling zijn op een geschreven verhaal)

Video is minder geschikt dan tekst voor het overbrengen van informatie. De kijker kan niet z’n eigen tempo bepalen. Maar – mits goed gebracht – kan de boodschap van bewegend beeld wel veer sterker zijn dan van tekst. Daarvan moet je je bewust zijn bij het maken van video. Probeer geen ingewikkeld, genuanceerd verhaal te vertellen. Kies voor een duidelijke invalshoek, en breng die zo duidelijk mogelijk in beeld. Stel jezelf de vraag: wat heeft de kijker een dag later onthouden van mijn video?

Voor de reportage en het portret geldt dat het bewegende beeld iets moet toevoegen aan wat je ook zou kunnen beschrijven.

Bij het gebruik van tekst in beeld en voice-over geldt de Wet van Wember: als de tekst te veel afwijkt van de beelden, winnen altijd de beelden. Met ander woorden: laat je tekst aansluiten bij je beelden.

Tips voor draaien

  1. Bereid je goed voor. Maak een productieplan.
  2. Laat de camera even lopen voordat je je echt gaat draaien
  3. Check je geluid. Gebruik indien mogelijk altijd een koptelefoon. Met minder goed beeld kom je vaak nog wel weg, slecht geluid is dodelijk
  4. Niet zoomen, pannen of tilten. Laat het onderwerp bewegen, niet de camera. Beweging snijdt altijd goed
  5. Houd shots vast. Tel gewoon tot 15 in je hoofd
  6. Draai op de automaat, behalve bij interviews en in situaties met moeilijk licht
  7. Beter nog: vermijd situaties met moeilijk licht
  8. Draai niet te veel, dat scheelt veel tijd in de montage
  9. Draai niet te weinig, je kunt beelden niet langer maken dan ze zijn
  10. Wees stil tijdens het draaien, maak geen aanmoedigende geluiden bij interviews
  11. Monteer alvast in de camera, denk in sequenties, decoupage
  12. Hanteer voldoende hoofd- en neusruimte
  13. Verander regelmatig van hoek en perspectief (maar ga niet over de as)
  14. Film mensen in plaats van gebouwen of vergezichten
  15. Gebuik een statief voor interviews. In andere gevallen: zoek steun aan muurtjes, wanden et cetera.
  16. Vraag mensen naar jou te kijken, niet naar de camera
  17. Vraag mensen je vraag te herhalen
  18. Label je tape én je hoesje

Tips voor voice-over

  1. vermijd schrijftaal
  2. denk aan de Schaar van Wember
  3. wissel korte en lange zinnen af
  4. gebruik geen bijzinnen en tangconstructies
  5. gebruik geen passieve vorm
  6. gebruik geen algemene of plechtstatige taal
  7. schrijf je tekst helemaal uit (inclusief getallen)
  8. geef aan welke woorden nadruk moeten krijgen
  9. warm even op (lees de tekst een paar keer hardop)
  10. benadruk woorden door volume, omhoog of omlaag gaan, pauzes en ritmewisseling
  11. vertel het verhaal, lees het niet voor (doe alsof je het aan een groep vrienden vertelt)
  12. Acteer. Vaak als je zelf denkt: ‘Dit is overdreven’, klinkt het goed.

HTML

De tijd dat je als journalist met de hand webpagina’s in elkaar zette, is wel voorbij. Of het nu gaat om een grote nieuwssite of om een klein weblog, sites worden tegenwoordig beheerd met behulp van een content management system (cms). Toch is het goed om de basisbeginselen te kennen van HTML, HyperText Markup Language, de ‘taal’ waarmee webpagina’s worden opgebouwd. Hieronder staan de meest voorkomende codes. Op www.w3schools.com vind je een goede basiscursus.
Continue reading HTML